Vioolconcert in D op. 61

  1. Allegro man non troppo
  2. Larghetto –
  3. Rondo (Allegro)

art_725

<—–    Luister naar Vioolconcert in D op.61

Tegen het einde van zijn verblijf in Bonn (d.w.z. rond 1790-92) begon Beethoven met de compositie van een vioolconcert, maar alles wat ons daarvan rest is een fragment van 259 maten. Aan het concert in D, op. 61 begon hij pas een jaar of vijftien later, na de voltooiing van zijn vierde pianoconcert in G op. 58 en vierde symfonie in Bes op. 60. Het werd geschreven voor Franz Clement (1780/1842), van 1802 tot 1811 concertmeester en dirigent van het “Theater an der Wien” in Wien en volgens de overlevering één van de beste violisten van zijn tijd. “Concerto par Clemenza pour Clement, primo violino e direttore al theatro a Vienna” schreef Beethoven, niet afkerig van woordspelingen (en het door elkaar gebruiken van verschillende talen), boven de partituur (waarin voor de vioolpartij niet minder dan vier notenbalken zijn vrijgelaten voor het aanbrengen van eventuele  varianten en veranderingen). 

Carl Czerny vertelt ons dat het concert “in zeer korte tijd” werd gecomponeerd en pas vlak voor de eerste uitvoering (op 23 december 1806) klaar was, waardoor er niet genoeg tijd overbleef voor een behoorlijke repetitie en Clement gedwongen was het nagenoeg van het blad te spelen. Dit weerhield hem echter n niet van tussen het eerste en tweede deel, bij wijze van lichte afwisseling, een stukje op zijn ondersteboven gehouden viool te spelen. Het concert was, voor zover het Clement betrof, klaarblijkelijk een groot succes, maar Beethoven kwam er minder goed vanaf.

De “Wiener Theaterzeitung” schreef: “De bewonderenswaardige violist Clement speelde, naast andere werken, een vioolconcert van Beethoven, dat wegens de fraaie passages met buitengewoon veel applaus werd ontvangen. Kenners geven toe… dat er veel mooie momenten in zijn, maar zijn van mening dat de continuïteit vaak volkomen zoek lijkt te zijn en dat de voortdurende herhaling van enkele nogal opvallende passages gemakkelijk tot verveling kan leiden”. Dit soort stigma overschaduwde het concert tot het jaar 1840, toen Joachim het de plaats terug gaf, waarop het in het repertoire van de violist recht heeft.

Het concert werd in augustus 1808 uitgegeven, voorzien van een opdracht voor Stephan von Breuning, jeugdvriend van Beethoven en sinds 1808 werkzaam bij de keizerlijke krijgsraad in Wenen. In dezelfde maand liet Beethoven tevens zijn eigen arrangement van het werk als pianoconcert het licht zien, met een opdracht voor Von Breunings vrouw Julie (die in april van dat jaar met hem getrouwd was, maar in maart 1809 overleed). Het idee voor dit arrangement stamde van Clement, die in april 1807 aan zijn medewerker Collard schreef: “Ik ben met (Beethoven) overeengekomen in manuscript drie kwartetten te nemen, verder een symfonie, een ouverture en een vioolconcert, dat erg mooi is en dat hij, op mijn verzoek, zal bewerken voor piano.”

Er is niets bekend over een eigentijdse uitvoering van het werk in deze vorm. Ook zijn er geen oorspronkelijke cadensen voor het vioolconcert bewaard gebleven – waarschijnlijk speelde Clement zijn eigen cadensen – maar Beethoven schreef er niet minder dan vier voor de pianobewerking. Sinds Beethovens vioolconcert, het eerste van de “grote” vioolconcerten, zijn de meeste werken uit het vioolrepertoire bijna uitsluitend op zichzelf staande composities gebleven; Johannes Brahms, Peter Iljits Tsjaikovsky, Antonin Dvorak, Jean Sibelius, William Walton en Paul Hindemith schreven allen slechts één vioolconcert, evenals Felix Mendelssohn en Bela Bartok, als we hun jeugdige pogingen, waarvan zij zich (zoals Beethoven zelf) later distantieerden, buiten beschouwing laten. Voor een deel is dit uiteraard een gevolg van het feit dat, terwijl de meeste componisten op z’n minst bekwame pianisten zijn en hun eigen pianoconcerten hebben uitgevoerd, slechts enkelen van hen professionele violisten zijn, wat betekent dat ze tot op zekere hoogte afhankelijk zijn van stimulansen van buitenaf (en vaak van praktische adviezen) voor zij een zo virtuoos vioolconcert kunnen schrijven als er vanaf het begin van de 19de eeuw van hen werd verwacht. Dit in aanmerking genomen lijkt het nogal verwonderlijk dat de virtuositeit als zodanig in Beethovens concert slechts een ondergeschikte plaats inneemt; de muziek wordt gekenmerkt door een stralende, lyrische lieflijkheid en sereniteit, niet door grootsheid of vertoon van technische kunnen.  

I

Het bravoure-element ontbreekt, opzienbarend genoeg, geheel in het eerste deel, dat wordt beheerst door de vier zachte paukenslagen van de eerste maat. Deze vormen een essentieel onderdeel van het eerste thema, een tedere, golvende melodie, gespeeld door de hobo’s klarinetten en fagotten; hun invloed is eveneens voelbaar in het tweede thema (dat in opzet veel overeenkomst vertoont met het eerste thema), en zij doordrenken de donkergetinte doorwerking. De solist begint met een korte cadens in tempo, en een soortgelijke passage leidt de doorwerking in, waarvan het eerste gedeelte is gewijd aan de twee eerste maten van het eerste thema, waarbij de viool in contrapunt arpeggio’s van triolen speelt; het tweede gedeelte introduceert een ongelooflijk mooi nieuw thema in g, in het hogere register van de viool, waarvan een korte figuur in zestiende overblijft die door de solist wordt uitgewerkt totdat het de overgang vormt naar de reprise. Aan de hele passage, met haar sombere orkestrale kleur van de strijkers, verstrekt door beurtelings fagotten, hoorns, trompetten en pauken, ligt de doordringende figuur in vieren van de opening ten grondslag. Na de reprise treedt eenzelfde ontwikkeling op als in de expositie, waarbij echter de viool bij begin af aan een actieve rol speelt.

II

Het lijkt dat waarschijnlijk dat Beethoven zijn twee Romances voor viool en orkest (uit 1800-1802) als voorbeeld heeft gebruikt voor het langzame deel van het concert. Dit Larghetto in G, waarin de blazers zijn teruggebracht tot klarinetten, fagotten en hoorns, en waarin de strijkers uit het orkest, behalve in de slotmaten, met de sordino (demper) spelen, is een serie van variaties op een thema dat aanvankelijk het eerst door de strijkers wordt voorgesteld en door de soloviool met een uiterst verfijnd netwerk van versieringen wordt verfraaid, maar dat in feite geen enkele keer door het solo- instrument rechtstreeks wordt gespeeld, hoewel de viool een eigen thema introduceert in een korte tussenspel tussen de 3e en 4e variatie.

III

Een krachtig pleidooi door de strijkers van het orkest, nu zonder sordino, legt de basis voor het eerste deel, dat zonder onderbreking er op volgt. Dit is een rondo in sonatevorm, met een refrein dat wel tot de blijmoedigste behoort die ooit geschreven werd. In de briljante eerste en derde episode vinden we de meest virtuoze passages uit het hele concert. ze krijgen extra reliëf door terughoudenheid van de tweede episode, die nog een markant thema in g introduceert, wederom in het hoogste register, van de viool. De violist heeft tegen het einde van het deel nog een cadens, maar de solopartij gaat daarna door tot de allerlaatste maat van het concert.

Bron: Philips LP – Beethoven op.61 – Krebbers/Haitink – Stereo 6599 851

Muziekvoorbeeld A en B:

A

Vioolconcert op. 61

    

 

 

 

 

B

Vioolconcert op. 61a

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s