Symfonie nr. 9 in d op. 125 (deel 2)

copying_beethoven_ver2

 

 

 

 

 

Waarom zou men het slotdeel van Beethovens negende met solisten en koor niet apart, en zelfs in pop- en jazzbewerkingen mogen genieten, zoals sommige muzikale puriteinen (streng godsdienstig) vinden. Het genie heeft er zelf moeite genoeg mee gehad een koorfinale organisch aan de onovertroffen drie voorafgaande symfoniedelen vast te hechten. Oorspronkelijk heeft Beethoven gedacht aan een onmiddellijke inzet van het koorthema de “Vreugde-melodie”, zodat de menselijke stem als een verrassing het instrumentenkoor kwam opluisteren. Later schreef hij deze woorden voor een verbindende recitatief neer: “Heute, ist ein feierlicher Tag… dieser ist gefeiert mit Gesang…” en: “Ha, diese ist es! Es ist nun gefunden, Freude!… Nog weer later moest het worden: “Lasst uns das Lied des unsterblichen Schiller singen!” En tenslotte werd het de bekende recitatief: “O, Freunde, nicht diese Töne (de reeds verklonken instrumentale namelijk), sondern lasst uns angenehmere anstimmen und freudenvollere!” (van het lied der vreugde dus). Symbolisch voor: de mens kan nog schoner dan met instrumentenklank zich uiten met stemmen die tonen voortbrengen welke woorden dragen!

De historie van het ontstaan van de negende symfonie met de slotkoor op. 125 getuigt van meer dan dertig jaren geniaal wikken en wegen. In 1792, het jaar dat Beethoven voorgoed van Bonn naar Wenen verhuisde, publiceert Schiller zijn “Ode an die Freude”. In 1793 heeft Beethoven het gedicht reeds gelezen, want in januari schrijft iemand uit zijn omgeving aan Schillers echtgenote: “Hij gaat ook Schillers Vreugdelied bewerken, en wel elke strofe daarvan.” In 1795 wordt de 25-jarige Ludwig beziggehouden door een thema dat hij o.a. gebruikt voor een lied op een tekst van G.A. Bürger: “Gegenliebe”, waarschijnlijk ontleend aan een volksmelodietje, dat ook Mozart eens had geïnspireerd. Negen jaren later ontstaat er een ontwerp voor een thema dat verwant is met het vorige, maar verder niet wordt ontwikkeld. In 1808 krijgt de melodie van “Gegenliebe” (zie 1795) een plaats in de beroemd geworden “Koorfantasie op. 80” (met pianosolo). Volgens Czerny heeft de dichter Kuffner de tekst voor de reeds geschreven muziek in snel tempo moeten maken voor een “uitsmijter”van de grote “Akademie” van 22 december….

In 1810 verschijnt in het derde der “Drey Gesänge” op teksten van Goethe een “variatie”op “het” thema. Twee jaar later schrijft Beethoven geërgerd aan de uitgever Breitkopf&Härtel: “Zijn ze nou nóg niet gedrukt? Maak toch voort, ik wil ze zo graag aan vorstin Kinsky, een der mooiste dikke vrouwen van Wenen, cadeau doen”. In hetzelfde jaar zijn er vage plannen voor een “negende symfonie in d”. Vier jaar later komt er een schets van een beginthema voor een “eerste deel” in het schetsboek. In 1817 wordt het ontwerp van het eerste deel gemaakt; de arbeid wordt onderbroken door ziekte, geldzorgen, gevoel van eenzaamheid; 21 augustus schrijft hij aan een vriend: “Wat mijzelf aangaat, ik ben vaak vertwijfeld en zou graag een einde aan mijn leven maken. God erbarme zich mijner. Ik beschouw mij zo goed als verloren…”

In 1818 plannen voor een tiende symfonie met koor, op thema’s “die niet van de negende zijn!” Vier jaar later wordt “het” thema aangepast aan de “Ode an die Freude”, wat schetsen bewijzen. Het is de bedoeling dat de “Ode” de finale wordt van de andere (dus de 10e ! ) symfonie. In een schetsboek de notitie: “Sinfonie allemand of met variaties waarna het koor Freude schöner Götterfunken inzet, of ook zonder variatie. Einde van de Sinfonie met Turkse muziek en zangkoor”. In 1822 en ’23 gestadig werken aan de eerste drie delen van op. 125, met het voornemen er een instrumentale (!) finale aan te geven. Oktober 1823: besluit tot het gebruiken van het laatste deel van de tiende, dus de Ode-ontwerpen als koorfinale van de negende. De eindconclusie van een genie!

Na in 1824 ononderbroken gewerkt te hebben aan de definitieve versie van op. 125 volgt op 7 mei de “Grosse Musikalische Akademie in het k.k. Hoftheater nächst  dem Kärnterthor, waar zij wordt ten doop gehouden. Beethoven verschijnt bij deze gelegenheid voor het laatst in het openbaar op een podium. Vrijwel volledig doof kan hij slechts in schijn als “dirigent” fungeren en wel door zich te richten naar de bewegingen van concertmeester Schuppanzigh en kapelmeester Umlauff… De meester hoort na afloop het geweldige applaus en de opgewonden kreten niet meer. Een der solo-zangeressen draait hem met het gezicht naar de zaal, opdat hij het enorme enthousiasme  tenminste ziet! Velen onder de toehoorders schreien van ontroering. De politie moet tenslotte een einde maken aan de uitingen van geestdrift…!

Eind 1826 vermeld een door P. Gläser gemaakt afschrift van de partituur, die gezonden wordt aan de koning van Pruisen: Sinfonie/mit Schluss-chor, über Schillers Ode: “an die Freude”/für grosses Orchester, 4 Solo und 4 chor-stimmen/componirt und/Seiner Majestät dem König von Preussen/Friedrich Wilhelm III./in tiefster Ehrfurcht zugeeignet/Von/Ludwig van Beethoven./ 125stes Werk.  

Bron: Lp- Decca – Stereo  6599 516 – De klassieken nr. 16

Muziekvoorbeelden:

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s