Symfonie nr. 9 in d op. 125 (deel 1)

Statue-of-Beethoven-Bonn.-IN-SEARCH-OF-BEETHOVEN-©-Seventh-Art-Productions
Symfonie nr.9 in d op.125

1.  Allegro man non troppo, un poco maestoso   2. Molto vivace                                                                   3.  Adagio molto e cantabile    4. Presto – Allegro ma non troppo – Allegro assai

Het nam Beethoven lange tijd voor de Negende symfonie volgroeid was: elf jaar liggen tussen dit werk en de voorafgaande Symfonie in F. Gedurende deze elf jaar schiep Beethoven zijn grote koorcompositie, de Mis in D op. 123. Maar reeds in 1812, toen hij bezig was met het componeren van de zevende en achtste symfonie, dacht Beethoven al na over een andere symfonie en had in dat stadium al besloten dat hij in d-klein zou staan. Een aantal van de eerste schetsen, in het bijzonder voor het tweede deel, werd in 1815 geschreven. Maar eerst in 1817 begon de Negende symfonie vorm te krijgen en het merendeel van het eerste deel en schetsen voor de andere delen werden in dat jaar gemaakt. Het was toen nog niet Beethovens bedoeling om een koorfinale  te schrijven en in 1823 ontwierp hij een instrumentaal laatste deel dat uiteindelijk de finale van het strijkkwartet in a werd (op. 132). Er bestaan echter veel aanwijzingen dat Beethoven de bedoeling had om een koorfinale te schrijven; te schetsen voor zo’n werk bestaan en hij werkte af en toe aan een zetting van Friedrich Schillers “Ode an die Freude” (Oorspronkelijk “Ode an die Freiheit” geheten), dat hij sinds 1793 had liggen. De voltooiing van deze verschillende projecten en ideeën die zo lang in de gedachten van de componist hadden geschemerd, werd tenslotte bereikt in de koorfinale van de Negende symfonie.

I

Het eerste deel, hoewel niet het langste van Beethovens symfonische delen, is onovertroffen in omvang en kracht van ideeën en in de wijze waarop zij worden gepresenteerd. In de eerste instantie is de tonaliteit vaag en uit een donkere en mysterieuze achtergrond komt het eerste dramatische thema op. In sequenzen (herhaling van een motief in een andere toontrap) oprijzend gaan de laatste frasen van dit tweemaal gehoorde thema in de tweede groep over in de toonaard van Bes groot. Er heerst hier hier een stemming van contrasten, maar het duurt niet lang voordat men de grote ritmische zwelling voelt aankomen die zich door het gehele deel doorzet. Hij voert zich door van de ontwikkeling naar een recapitulatie die uitmondt in een enorm coda en een abrupte en dramatische epiloog.

II

De vloeiende contrapunten van een melodieus trio verlichten de schokkende energie van de ritmische grillen van het wilde en eigenzinnige tweede deel. Beethoven zelf noemde het niet “scherzo” maar het is feitelijk het grootste en meest overweldigende voorbeeld van deze compositievorm. Wil men de betiteling “scherzo” interpreteren als scherts, dan is het wel een uitermate grimmige, van reusachtige afmetingen en Olympische energie. Zowel fugatische als harmonische hulpbronnen worden in de strijd gebracht en een levendige orkestkleur verleent het werk zijn opmerkelijke kwaliteit.

III

Twee diepgaande en expressieve melodieën geven vorm aan het langzame deel. De eerste wordt tot het onderwerp van een uitgebreide melodische variatie waartegen de tweede optreedt als een episodisch tussenweefsel. Er loopt een lange melodie door het gehele deel, waarvan de teerheid en zeggingskracht nergens beter tot hun recht komen dan in het lange en zeer mooie coda. Daar, als het ware ingelijst tussen ritmische trompetstoten en paukenslagen, sterft hij langzamerhand weg, tot slechts de vaagste toespeling is overgebleven, waarna, na een klein moment van opleving . de muziek voorbij is.

IV

We weten niet wat Beethoven er uiteindelijk toe deed besluiten om aan het laatste deel een koor toe te voegen, maar we kunnen van een ding zeker zijn, namelijk dat hij beseft dat een deel volgens klassieke vorm en inhoud niet als epiloog dienst kon doen bij de drie sterke delen die hij reeds had geschreven. Een of ander nieuw element moest eraan worden toegevoegd en Beethoven wendde zich tot de menselijke stem en de kracht van een koor. De entree hiervan is dramatisch, want het treedt op nadat het orkest thema’s uit de voorafgaande delen heeft geprobeerd en verworpen en zelfs wanneer het bij de zijn zwerftochten aanlandt bij het grote “Vreugde” – thema waarop het hele deel is gebouwd, speelt het dit thema slechts één keer voor het orkestrale geschal weer uitbreekt. Ditmaal wordt het snel en finaal beëindigd door de inzet van de bariton: “O, Freunde”, nicht diese Töne” en onmiddelijk daarop hoort men het “Vreugde” – thema in de bassen en al spoedig wordt het geestdriftig overgenomen door het gehele koor. Dan beginnen de grote orkestrale en koorvariaties, die elk op zich hun eigen licht werpen op het muzikale panorama. Maar hoe contrastrijk ze ook zijn, er wordt zo effectief naar het hoogtepunt toegewerkt, dat het slot even onvermijdelijk is als de gang van zonsopgang naar zonsondergang.

Deze ontzagwekkende vloedgolf aan geluid kan alleen maar worden opgelost in een enorme stormloop en de slotnoten nemen ons driest en ademloos mee hemelwaarts.          

Bron: EMI – Select serie – Stereo 5 C 051 -11 129

    

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s