Symfonie nr.2 in D op.36

 

Ludwig_van_Beethoven_05_by_Artigas
Trio op.36

1. Adagio molto-Allegro con brio    2.  Larghetto    3. Scherzo    4. Allegro molto

 

Dit vrolijke werk ontstond in de zomer van 1802, in dezelfde tijd dat Beethoven zijn Heiligenstädter Testament schreef. Slechts hier en daar klinkt iets van de bekommerdheid over de opkomende doofheid. 

I

De grootste inleiding, alleen nog overtroffen door die van de zevende, toont ons Beethoven geheel los van Haydn en Mozart. In het machtige unisono van het gehele orkest, een tiental maten voor de inzet van het “Allegro con brio”, ontmoeten wij reeds het begin van de negende. Dan raakt Beethoven weer de trant van zijn voorgangers, doch hoeveel vrijer gedragen zich de blazers; de tegenstellingen hebben hier meer reliëf, de totaal klank is krachtiger.

II

Het zangerig “Larghetto”, een lievelingsstuk van Franz Schubert, vermengt vredig geluk met intieme blijdschap.

III

Hier introduceerde Beethoven officieel het “Scherzo” in de symfonie, al gaf de eerste het reeds praktisch. In plaats van de vriendelijke dwaallichtjes echter uitgelaten kobolden, die elkander laten schrikken. De melodie van het “Trio” verschilt alleen ritmisch met die uit het Scherzo-alternatief van de negende. 

IV

De “finale” heeft  eerst nog de komische stemming van het “Scherzo” en gaat dan over in een olympische blijdschap, die de weg bereidt tot de achtste symfonie.

Bron:  Muziekwerken Encyclopedie Componisten