Strijkkwartet nr. 14 in cis op. 131

riymxk

 

<— Luister naar op. 131

 

 

Dit kwartet is van schema al even ongewoon als het nr. 13 op. 130: het bestaat uit zeven delen, doch alleen tussen het vierde en vijfde is de mogelijkheid van een korte pauze. Nr. 3 betekent de inleiding tot het langzame deel, nr. 4, nr. 5 vertegenwoordigt het Scherzo, nr. 6 is de langzame inleiding tot de finale nr. 7. Zeer ongebruikelijk opent op. 131 met een fuga, Adagio ma non troppo e molto espressivo, door Bekker een “et incarnatus est” genoemd, doch in Beethoven’s oeuvre beschouwd, eerder als een “et reïncarnatus est” te waarderen: slechts wie een mystieke dood stierf en wedergeboren werd kon zulke muziek schrijven. Nooit is Beethoven zo verwant geweest aan Bach als hier. Het wonderlijkste van dit stuk is wel, dat het mystieke begin voortgesponnen kon worden met zulk een zuiver innerlijke stijging. Zonder onderbreken, psychologisch ten zeerste verbonden met deze fuga, zet het tweede deel in: een volksliedachtig Allegro molto vivace, dat dezelfde harmonische basis heeft als het fugathema: de herboren mens spreekt “naakt als ziel tot ziel”. Het Allegro moderato” nr. 3, in de trant van een recitatief en overgaand in een cadenza, is slechts een inleiding tot het eenvoudige, verheven Andante ma non troppo e molto cantabile. Het als een motiefketen opgebouwde thema is verdeeld tussen de beide violen en wordt in een reeks variaties verwerkt.

I (bij het tweede arco van de cello) houdt tempo en sfeer van het thema vast. II (Più mosso) geeft een wisselzang tussen viool en cello, en eindigt in een lang unisono. III Andante moderato e lusinghiero is een canon met enkele vrije episodes. IV Adagio. V Allegretto, een toetssteen voor spelers en hoorders, daar de melodische draad voortdurend van het ene instrument naar het andere gaat. VI Adagio ma non troppo e semplice met leidende eerste viool en murmurerende cello. VII Sotto voce, slechts de aanloop van een variatie, die overgaat in een coda. Deze laat het thema in zijn oorspronkelijke gedaante horen, eerst geheel in de tweede viool, omspeeld door trillers van de eerste viool en gebroken akkoorden van de cello, daarna in de eerste viool.

De cello zet het marsachtige Presto (nr. 5) luidruchtig in, houdt verschrikt op, waarna de eerste viool de melodie zacht overneemt en voortzet. Het Trio (piacevole) wordt herhaald, zodat een vormschema       A B A B A A ontstaat.  Het Adagio quasi un poco Andante (nr. 6) leidt de Allegro finale (nr. 7) in. Unisono spelen de instrumenten een norse variant (omkering) van het fugathema van het eerste deel, waarna de eerste viool een vrije vervorming van datzelfde fugathema laat horen, verderop zelfs een spiegelbeeld (cis, bis, a, gis) ervan geeft en tenslotte de letterlijke aanhef. Klaarblijkelijk is hier opzet in het spel: de herboren mens neemt bezit van de wereld, waarover hij thans beschikt. Het tweede thema (3e maat voor het eerste poco rit.) wijst terug naar de vierde variatie van nr. 4.

Bron: Muziekuitleg Encyclopedie        

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s