Missa Solemnis in D op. 123

GOD1

 

<—  Luister naar de Missa Solemnis

 

“Uit het hart — moge het weer tot de harten gaan”, ziehier het simpele motto dat Beethoven zijn “Missa Solemnis” meegaf. Inderdaad, het was geen frase van de van de componist, dat het werk hem uit het hart kwam; men leze slechts, wat zijn vriend Schindler schreef over het ontstaanvan de Mis. “Tegen het eind van Augustus kwam ik, begeleid door de musicus Johann Horzalka, aan in           s ‘meesters woning  te Mödling. Het was ’s  middags vier uur. Dadelijk bij ons binnentreden hoorden wij, dat Beethoven’s beide dienstboden weg waren gegaan, en dat er midden in de nacht een scène was geweest. In een der woonkamers ,welke afgesloten was, hoorden wij de meester stukken uit de fuga van het “Credo”zingen, brullen, stampen. Nadat wij reeds lang naar deze huiveringwekkende scène hadden geluisterd en juist weg wilden gaan, ging de deur open en stond Beethoven voor ons, met een verwrongen gezicht, dat werkelijk beangstigend was. Hij zag er uit, of hij juist een strijd op leven en dood met de hele horde contrapuntisten — zijn eeuwige tegenstanders — had doorstaan. De eerste woorden, die hij sprak, klonken wat verlegen, als voelde hij zich door ons afluisteren onaangenaam verrast. Reeds spoedig begon hij te praten over wat er die dag gebeurd was en hij moest zich merkbaar beheersen toen hij zei: “Een mooi huishouden. Iedereen  is weggelopen en ik heb sedert gistermiddag niets gegeten.” Ik zocht hem te kalmeren en hielp hem bij zijn toilet. Mijn metgezel haastte zich vooruit naar de restauratie van het badhuis, om iets klaar te laten maken voor de uitgehongerde meester. Daar klaagde hij over de wantoestanden in zijn huishouden, waarin geen verbetering mogelijk was. Wel nooit zal een groot kunstwerk onder zulke stuitende omstandigheden ontstaan zijn, als de Missa Solemnis.”

Beethoven schreef haar voor de installatie van zijn beschermer aartshertog Rudolf als aartsbisschop van Olmütz. Deze plechtigheid was echter reeds lang voorbij, toen het werk tenslotte afgemaakt werd, want elk deel van de Mis nam onder de arbeid veel grotere afmetingen aan, dan aanvankelijk de bedoeling was geweest. Dit werk is een hoogtepunt in de gehele Europese Mis-litteratuur. Zwakheden heeft de Missa Solemnis ongetwijfeld: de onzingbaarheid, waarmee solisten en koristen herhaaldelijk te worstelen hebben, de onevenredige afmetingen, een zeker gebrek aan eenheid van stijl: de Italiaans getinte melodieën als van het “Gratias”, het “Benedictus”, het “Dona nobis pacem” en het te opera-achtige recitatief “Agnus Dei” passen niet bij strenge fuga’s als het “et vitam venturi”. Maar daar tegenover staat zo buitengewoon veel moois en ontroerend’s, dat men deze Mis toch een van de geniaalste uitingen van de mensheid moet noemen (1818 – 1823).

Kyrie 

Het gebruikelijke drieluik van het eerste deel der Mis, bracht Beethoven tot twee bijna gelijkluidende zijpanelen, waarvan de stemming reeds blijkt uit het opschrift: Assai sostenuto, waaraan toegevoegd is “Mit Andacht”. De vroomheid van het “Kyrie eleison” heeft een droefgeestig karakter, door het klagende motief, dat eerst de houtblazers, daarna de solisten voordragen; pas wanneer het koor de leiding neemt zingen de beklemde gemoederen vrij uit. Het middenstuk, “Christe eleison”, is sneller en opgewekter, daar het bemoedigende hoornthema imiterend van stem tot stem gaat, vergezeld door een vele malen herhaald, aanbiddend: “Christe”.

Gloria 

Het Gloria houdt zich niet aan de liturgische bepaling, dat de celebrant (voorganger in liturgische plechtigheid) de beginwoorden (de zgn. intonatie) moet voordragen: het koor zet het “Gloria in excelsis Deo” opgewekt, bijna te gemeenzaam in. Het lyrische “Gratias” heeft een liefelijke dankbaarheid; met het “Domine Deus” komt de stemming van de aanhef terug, tot aan het Larghetto bij het “Qui tollis”, aanvankelijk van een hemelse vrede, vanaf “Misere nobis” dramatischer. Bij “Quoniam” een Allegro maestoso, dat met eenvoudige nadrukkelijkheid Gods heiligheid verkondigt. Een magistrale fuga op “In gloria Dei patris” – de soms wonderlijke behandeling van het Amen herinnert aan de “Erhabene Banalität” van de finale der negende – lijkt dit Misdeel af te sluiten, doch als Coda volgt nog een snelle herhaling van de inzet.

Credo  

Het Credo zondigt eveneens tegen de liturgische voorschriften, daar de intonatie van de celebrant door het koor wordt overgenomen, nog wel in een schier overmoedige toon, terwijl bij “in unum Dominum” het woord Credo door Beethoven eigenmachtig herhaald is. Het “Et incarnatus est” tracht het oer-mysterie van de vleeswording Gods in klanken uit te beelden; als schuchtere getuigen zetten de solisten na elkaar in, aan het slot mompelen de koristen de kern van de belijdenis na. Tegenover de geheimenis van de incarnatie plaatste Beethoven de blijde werkelijkheid van het “Et homo factus est”; de tenor kan hier geheel de pracht van zijn stem en de volkomen blijdschap van zijn ziel uitzingen! Weer slaat de stemming om, wanneer de solisten dramatisch klagen: “Crucifixus”; bij de smartkreten van het “passus” speelt het orkest een religieuze treurmars, het “et sepultus” roept de stilte van het graf op. Men komt bijna verschrikt tot de werkelijkheid terug door het vrolijke “et resurrexit” met de realistische stijgingen op “ascendit”. Bij “in Spiritum sanctum”kunnen de belijders niet nalaten, herhaaldelijk een overtuigd Credo te verklaren. Een verbijsterde fuga op “et vitam venturi, met tegen het slot wonderlijke pauzen tussen de lettergrepen van “Amen”en “Vitam”, bekroont de persoonlijkste en fanatiekste compositie van de geloofsbelijdenis , die de muziek ooit heeft voortgebracht.

Sanctus

Het Sanctus heeft de vredige, eenvoudige sfeer van een dienst in een dorpskerk; tegen het slot gaat door het strijkorkest een huivering om de heiligheid van God. Wel zeer aards doet hierop het “Osanna” is als een volksliedje, dat een overwinning bezingt; de door geïmiteerde stijl geeft deze episode echter een voornamer karakter. Het unieke Preludium van het “Benedictus” mediteert in muziek naar de normen van Thomas á Kempis: “Bidden is God zien”. De komst uit den Hoge beeldde Beethoven uit door een vioolsolo, afdalend uit de ijlende klankregionen (vergelijk het voorspel van Wagners Lohengrin). De melodie ervan is eenvoudig en teder als een wiegeliedje en wordt voor het grootste deel canonisch behandeld. 

Agnus Dei

Het Agnus Dei begint als een ernstige responsorie van bas en mannenkoor. De andere solostemmen nemen de melodie over en het koor valt dan in, waarbij de lettergrepen van de beginwoorden door pauzen gescheiden worden, zodat het verzoek om mededogen de grootste nadruk krijgt. Het “Dona nobis pacem” heeft de sfeer van een kinderlied; onverwachte trompetsignalen, begeleid door geroffel van de pauken, leiden een angstig recitatief van de alt in, overgenomen door tenor en sopraan. Beethoven doelt hier op de oorlog, waarover het bijschrift boven het “Dona”rept: “Bitte um innern und äussern Frieden”. Hij komt hier later nog op terug in een groot kinderlijke melodie. Afwisselend vol vertrouwen of bijna dreigend smekend worstelt Beethoven dan als Jacob met God tot hij zegevierend de innerlijke vrede gevonden heeft.

Bron: Muziekwerken Encyclopedie Componisten

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s