Klassieke componisten Alexander Glazoenov

 

 

 

 

De jaargetijden op. 67: scene 4 “De Herfst” van Alexander Glazoenov

De ballet-eenakter “De Jaargetijden” bestaat uit vier bij elkaar behorende scènes die ieder een jaargetijde uitbeelden. “Herfst”, het vierde en laatste  deel van Glazoenovs orkestwerk, is veruit de meest onstuimiige tijd van het jaar. De vrolijke scène begint met een wild, Slavisch motief door de strijkers. Met duidelijke invloed van Pjotr Tsjaikovsky’s hartstochtelijke muziek, roept het breed opgezette stuk de onmetelijke  weidsheid van het Russische landschap op, waar de boeren de oogsten bijeen brengen. Met een veel minder energiek klein adagio wordt het hoge arbeidstempo langzaam lager. Voordat het hoofdthema weer terugkomt, genieten de helpers bij de oogst van een welverdiende pauze.

Ballet-eenakter

De jaargetijden ging in 1900 in St. Petersburg in première. De hele elite van de Russische balletwereld verleende haar medewerking. De toen negentienjarige Anna Pavlova was in de eerste , speciaal voor haar geschreven rol te zien. Een passage uit “Herfst” zou een van haar paradepaardjes worden.

Leven aan het conservatorium

Net als Prokofjev liet ook Alexander  Glazoenov  al vroeg zien dat hij enorm veel talent bezat. Al op zijn zestiende had Glazoenov, geboren in 1865 in St. Petersburg, zijn eerste symfonie geschreven. Na zijn studie bij Rimski-Korskakov werd Glazoenov een geziene grootheid in het muzikale leven van St. Petersburg. In 1899 werd hij professor aan het conservatorium en zes jaar later was hij er directeur en inmiddels internationaal gerenommeerd. In 1922 werd hij tot “Volkskunstenaar” benoemd. Het besturen van het conservatorium schaadde echter zijn creativiteit en gezondheid. Tegen het einde van zijn diensttijd als directeur ging hij voor langere tijd naar het buitenland en in 1932 vestigde hij zich in Parijs, waar hij vier jaar later stierf. In 1972 werd zijn stoffelijk overschot naar Leningrad overgebracht.

Leraar en vriend

Toen Rimsky-Korskakov privéleraar van de veertienjarige Glazoenov werd, begon er een levenslange vriendschap tussen de twee. Glazoenov leerde veel van zijn docent, die bekend stond om zijn krachtige instrumentaties. De band tussen de twee componisten  werd sterker,  en na Borodins plotselinge dood 1887 maakten zij samen het onvoltooide materiaal compleet, waaronder de opera “Prins Igor”. Glazoenov was een trouwe vriend en verliet in 1905 het conservatorium, toen Rimski-Korsakov wegens symphatie voor de stakende studenten werd afgezet als directeur. Toch nam Glazoenov nog geen acht maanden later de vrijgekomen post van zijn vriend en mentor over.

De “Beljajev-groep”

 Om de indruk van zijn talent stelde de Russische mecenas en muziekuitgever Mitrofan Beljajev Glazoenov voor aan zijn muzikale vriendenkring. De “Beljajev-groep” kwam rond 1880 regelmatig bijeen in St. Petersburg. Glazoenov voelde zich meteen thuis in deze groep, waar ook Rimski-Korskakov, Borodin en Skjrabin toe behoorden. De musici traden hiermee in de voetsporen van de beroemde “Vijf”, de groep Russische componisten van de negentiende eeuw waarin ook Rimski-Korsakov en Borodin actief waren geweest. De groep was patriottisch, maar ook progressief en revolutionair. Beljajev stak veel tijd en geld in het stimuleren van de musici. Hij steunde Glazoenov financieel en nam hem mee op reis door West-Europa , zodat hij in Weimar kennis kon maken met Liszt.

Beroemde bezoekers 

De ontberingen van de russen na de revolutie in de jaren twintig bezorgden ook Glazoenov een geliefde en vriendelijke figuur was, werd zijn bescheiden onderkomen een ontmoetingsplek voor beroemde musici en schrijvers. De Duitse dirigenten Otto Klemperer en Hermann Abendroth en ook de Oostenrijkse pianist Arthur Schnabel waren te gast in Glazoenovs kleine appartement in Leningrad.

Voetnoot

Hoewel Glazoenov door sommige opvolgers als ouderwets werd gezien, was hij toch een van de eerste componisten die voor saxofoon componeerden: in 1932 schreef hij een saxofoonkwartet en in 1934 een concert voor saxofoon.

Bron: Klassieke momenten (klein muzikaal handboek) herfstkleuren

 

 

 

Madame Butterfly Giacomo Puccini 1858-1924

Zoemkoor

De geisha Cho-Cho-San (Madame Butterfly) trouwt met de statige, jonge Amerikaanse marineluitenant Pinkerton tijdens diens verlof in Nagasaki. Na de korte wittebroodsweken keert Pinkerton terug naar zijn schip, zonder te weten dat zijn vrouw zwanger is. Drie jaren gaan voorbij. Iedereen zegt tegen Butterfly dat hij haar en haar zoon heeft verlaten, maar ze wil het niet geloven. Tot haar grote vreugde keert Pinkertons schip terug naar Nagasaki. Haar kleine huis, vanwaar ze op de haven uitkijkt, versiert ze met kersenbloesem en ze wacht in de avondschemering op haar man. Het zoemkoor (gezongen achter het toneel) begeleidt haar wake onder de sterrenhemel.

De première van Madame Butterfly aan de Scala in Milaan was een catastrofe, voor het grootste deel omdat Puccini’s rivalen toeschouwers hadden ingehuurd om de opera uit te fluiten. Maar alles keerde zich ten goede. Puccini bewerkte de opera, en met groot succes. Een jacht dat hij later aanschafte, vernoemde hij naar zijn tragische heldin, Cho-Cho-San.

Invasie in Japan

In juli 1853 arriveerde admiraal Perry met een vloot van de Amerikaanse marinekrijgsmacht in de Japanse haven Uraga, om Japan te dwingen zich voor de rest van de wereld open te stellen. Daarmee eindigde de ruim tweehonderd jaar durende, zelfopgelegde isolatie van dit raadselachtige land. De invasie leidde tot een cultuurshock en tot talrijke affaires tussen geisha’s en Amerikaanse matrozen.

De echte Madame Butterfly

Madame Butterfly is gebaseerd op een waar verhaal. Puccini kreeg het idee en de titel voor zijn opera van een stuk geschreven door de toneelschrijver David Belasco. Belasco’s stuk is op zijn beurt ontleend aan een artikel uit een krant. Het vertelt het waargebeurde verhaal van de geisha Tsuru Yamamura, die door haar man, een matroos, wordt verlaten en zich van het leven probeert te beroven. Aan het slot van de opera van Puccini pleegt de arme Butterfly inderdaad zelfmoord.

 

 

Voetnoot

In de bekendste aria uit Madame Butterfly “Un bel di vedremo”, kondigt Cho-Cho-San aan dat haar echtgenoot Pinkerton, op ‘een mooie dag’ (un bel di) weer terug zal keren naar haar en haar kleine zoon.

Bloemenduet uit Madame Butterfly

Dit verrukkelijke duet van Cio-Cio – San en haar trouwe kamenier Suzuki raakt soms in de verdrukking in de melodische rijkdommenvan Madama Butterfly. Als ze horen dat de Amerikaanse echtgenoot van Cio-Cio – San naar Japan terugkomt strooien de vrouwen bloemblaadjes om hun huis om hem te verwelkomen. Wat ze niet weten is dat de zorgeloze Pinkerton tijdens zijn afwezigheid uit Nagasaki  met een Amerikaanse is getrouwd. Met zijn stroom van zonnige tertsen-parallellen levert het duet de noodzakelijke lichte toets voordat de vreselijke tragedie zich naar haar hartverscheurende ontknoping spoedt.

Bron: De mooiste klassieken – Reader’s Digest Music

 

  

 

 

Appalachian Spring “Preludium” Aaron Copland (1900-1990)

Het zachte, waterige licht van de ochtendschemering, is een ogenblik van diepe bezinning. Met deze sfeer begint het ballet “Appalachian Spring: gedempte strijkakkoorden en zacht lokkende klarinetten, fluiten, trompetten en hoorns roepen het glinsterde licht op van een nieuwe dag in de groen beboste Amerikaanse Appalachen.

Een componist van balletmuziek

De titel “Appalachian Spring” ontleende Copland aan een gedicht van Hart Crane. Het ballet werd geschreven door de Amerikaanse danseres en choreografe Martha Graham. Appalachian Spring is het ontroerende verhaal van een jong boerenechtpaar dat naar het net gebouwde farmhouse in Pennsylvania staat te kijken en de buurman tegenkomt – een typisch beeld uit de Amerikaanse pionierstijd. Het wilde westen heeft Copland geïnspireerd tot het schrijven van twee andere balletten: “Billy the Kid” en “Rodeo”.

Voetnoot  

Copland kreeg veel onderscheidingen, waaronder de Pulitzerprijs voor de muziek in 1944 – hetzelfde jaar waarin Appalachian Spring ontstond.

(Klein Muzikaal Handboek – Klassieke Momenten – Mijmeringen)

Frédéric Chopin (1810-1849): Pools/Franspianist

30a Chopin

<– Luister naar de pianoconcert nr.2 in f op, 21

13 chopin

 

<– Luister naar Revolutie-Etude op.10 nr.12

 

 

 

Weinig bewonderaars van Chopin beseffen dat hun idool eigenlijk van Franse herkomst is geweest. Zijn vader, Nicolas Chopin, was geboren te Marainville uit een oud geslacht van wijnboeren in de Vogezen. Zij ontleenden hun familienaam aan hun beroep; chopine is namelijk een pint (= 1/2 1) wijn en chopiner betekent pimpelen. De naam “Frederik Szopen”, die met het predikaat “muzikaal genie” op het eindrapport van Joseph Elsners compositieklas aan het Warschause conservatorium prijkte, was de Poolse verbastering van “Chopin”. Vader Nicolas (die zich als leerkracht in Polen had gevestigd) en moeder Justyna Kryzanowska ondersteunden de eenmaal ontstane legende en hield nog veel later vol dat Frédéric een volbloed Pool was. Ook de overgeleverde geboortedatum 1 (of 2) maart is gebleken onjuist te zijn; de pas laat in de 19e eeuw teruggevonden  in het Pools gestelde  geboorte-akte getuigt dat “Frydrych” Chopin op 22 februari 1810 des namiddags om 6 uur het levenslicht aanschouwde, te Zelazowe Wola bij Warschau. Juist de menging van Frans bloed en aanleg met Poolse opvoeding en invloeden in zijn jeugd, vormen de oorsprong van Chopins grootheid.  

Van leraar Joseph Elsner, zelf Sileziër van geboorte, kreeg hij de liefde voor de nationale Poolse muziek mee, terug te vinden in melodieën en ritmen van o.a. 56 Mazurka’s, 10 Polonaises, 17 Poolse liederen en verwante stukken. Maar het grootste deel van zijn composities, w.o. de beide Pianoconcerten, de ruim 20 Nocturnes, de 27 Etudes, de 14 Walsen, de 24 Preludes, heeft nauwelijks Slavische karaktertrekken; wel bewijzen van genialen vernieuwingen der klaviermuziek op basis van de techniek van zeer bewonderde virtuoze tijdgenoten als Hummel (piano) en Paganini (viool). (Fétis kon daarom schrijven: “Beethoven schreef voor de piano, Chopin voor de pianisten”).

Op zijn 18e jaar werd Frédéric hartbrekend, op het ziekelijke af hevig verliefd op de knappe aankomende operazangeres Constance Gladowska, die nog lang zijn ideaal zou blijven. Het fijnzinnige, ontroerende Larghetto (een lyrisch lied met pianistische figuratie) in het “Pianoconcert nr.2 in f, is voor deze aangebedene geschreven. Er bestaat uit die dagen een portret in woorden van de verliefde: Frits is van middelmatige lengte, heeft een ingevallen borst en een zwakke constitutie, een mooi voorhoofd, ogen vol uitdrukking, grijsblauw van kleur; een weelderige dichte donkere haardos met een rossige glans, een grote neus die het overigens niet bepaald knappe gezicht een markante trek geeft; slechte tanden die hem vaak pijn doen; opvallend kleine voeten, wondermooie blanke, goedverzorgde handen; hij is levendig en snel in zijn bewegingen, geestig en nogal sarcastisch in gesprekken; van excentriciteit zoals bij andere muzikale genieën geen spoor; uiterst vriendelijk en vrolijk, altijd de ziel van de gezelschap; een uitgesproken vijand van alcohol, maar een groot bewonderaar van schone, beminnelijke en intelligente vrouwen…”

Later, na Parijse salon- successen, zou Chopin-zelf dit konterfeitsel (afbeelding, portret, zelfbeeld) aanvullen met: “Ik ben in deze wereld een E-snaar van de viool die men op een contrabas gespannen heeft” en: “Ik ben nooit op de wijze bemind die ik graag gewild zou hebben”; maar ook: “het is toch niet mijn schuld dat ik lijk op een zieke champignon die degene vergiftigt die van hem geniet”. Het was zijn antwoord op stoten onder de gordel van boosaardige vrouwen en afgunstige concurrenten: “die met suiker bestrooide oester” (gravin d’Agoult); “een ziekenkamer talent” (pianist Field, “uitvinder” der nocturnes); “alles van een mateloze sentimentaliteit, een man en musicus onwaardig”(pianist Moscheles); “mijn Chopinetto, mijn lieve lijk”(vriendin George Sand in een tedere bui…).

En welke hemelse pianomuziek schreef deze, “zieke champignon”sinds hij op zijn 20ste jaar zijn geboorteland verliet en zich overgaf aan leven en lijden in den vreemde; de Poolse “emigrant”, die voor studiereizen naar Berlijn en Wenen geen beurs kreeg, daar de overheid vond dat “de fondsen niet kunnen worden verspild aan artiesten van dit soort”. Op zijn lange en moeizame reis door Europa richting Parijs verloor hij de orkestpartijen van zijn eerste pianoconcert in f, welke hij dus opnieuw moest uitschrijven, wat tot gevolg had dat het tweede pianoconcert in e (opus 11) eerder werd gedrukt  en het 1e dus het 2e werd (op.21). Precieze datering en inspiratiebron van de meeste der composities van Chopin bleven trouwens altijd in nevelen gehuld. De opusnummers werden (ook door hemzelf) naar de volgorde der uitgaven verleend, niet naar de momenten van de voltooiing.

Men weet dat de beide “Revolutie-Etudes“, op.10 nr. 12 en op.25. nr. 12 in de toetsen werden gedicteerd onder grote angst om de achtergebleven dierbaren en verontwaardiging over het onrecht in september 1831, na het verpletterende nieuws van de val van Warschau voor de Russische troepen, tijdens een onderbreking in Stuttgart  op zijn tocht naar de Franse hoofdstad.

Dat de “Nocturne” in Es op.9 nr. 2 in 1834 de vrucht was van zijn tweede grote verliefdheid, ditmaal voor het rijke gravinnetje Marja Wodzinska , dat hem na gelukkige uren in Dresden, smadelijk in de steek liet. Dat er gedurende het onfortuinlijke verblijf op Majorca met George Sand gewerkt is aan nog enkele belangrijke stukken als de imposante Polonaise in As op. 53  en de ragfijne “Berceuse” in Des op.57 . Voor het overige zijn de inlichtingen versluierd of vervalst.

Zeker is dat Chopins in oktober 1849 onduidelijk neergeschreven  laatste regels luidden: “Comme cette terre m’étouffera je vous conjure de faire ouvrir mon corps pour je suis pas enterré vif”; en dat zijn laatste woorden op het sterfbed waren: “Matka moja biesma matka” (Moeder, mijn arme moeder); symbolisch, eenmaal Frans en eenmaal Pools!

Bron:  De Klassieken 22- Lp- Stereo 6599 522  

Eine kleine Nachtmusik nr. 13 in G Majeur KV525

17 Mozart

De titel “Eine kleine Nachtmusik” is goed gekozen, want dit werk is een typische serenade. De componisten van de achttiende eeuw schreven ontelbare stukken als dit, ter opluistering van feestelijke gebeurtenissen in adellijke kringen, zoals banketten, bruiloften of tuinfeesten op warme zomeravonden in de open lucht rond een slot of kasteel.

Een compositie als “Eine kleine Nachtmusik” was dus ondanks de imposante opening, waardoor je als luisteraar op het puntje van je stoel gaat zitten, niet bestemd voor de concertzaal. Dit soort muziek is juist beter geschikt om er in ontspannen huiselijke sfeer van te genieten.

Een jong genie 

Verhalen over de talenten van het wonderkind Mozart zijn er legio, en de meeste zijn nog waar ook. Al op zijn zesde jaar gaf hij een concert op de spinet, waarbij de toetsen van het instrumenten werden bedekt. En toch speelde Mozart alle stukken die hem werden voorgelegd foutloos voor.

De muzikanten als achtergrond

“De kleine nachtmusik” wordt tegenwoordig meestal door een klein strijkorkest gespeeld. Oorspronkelijk heeft Mozart het stuk bedoeld voor een strijkkwintet, twee violen, een een altviool, cello en contrabas, dat zich gemakkelijk in een hoekje van een balzaal of terras kon opstellen, waar de muzikanten niet al te zeer opvielen of in de weg stonden.

Het Köchel-Verzeichnis

De KV-nummers die na de titels van Mozart composities worden genoemd, zijn afkomstig van de Oostenrijkse geleerde Ludwig Ritter von Köchel (1800-1877), die alle werken van Mozart naar volgorde van ontstaan heeft geregistreerd. Köchel had toegang tot de originele handschriften uit het privé-archief van de componist. Het Verzeichnis (register) begint met een menuet voor piano, dat Mozart waarschijnlijk in 1761 op vijf-jarige leeftijd schreef, en eindigt met het onvoltooide Requiem (KV626).

voetnoot 

Mozart schreef er nog een andere serenade met de titel Serenata notturna (KV239) wat vertaald in het Duits ongeveer hetzelfde betekent als “Eine kleine Nachtmusik”.

Bron: Klein Muzikaal Handboek – Muziek voor een zomeravond –

Summertime uit Porgy and Bess

63 Gershwin            <— luister naar Summertime

Summertime uit Porgy and Bess van George Gershwin

Gershwins sociaal-kritische opera Porgy and Bess speelt zich af in en om de Catfish Row, een arme buurt in de haven van Charleston, South Carolina. Uit liefde voor Bess doodt Porgy de havenarbeider Crown. De heroïnehandelaar Sportin’ Life lokt Bess naar New York. Maar Porgy gaat haar achterna, vastbesloten om Bess te redden.

Muziek en verhaal van de opera schilderen een indrukwekkend beeld van de toenmalige levensomstandigheden van de zwarte bevolking. Als de nacht over Catfish  Row valt, klinkt het liedje Summertime. Met een vleugje blues roept Gershwin de benauwde zomerhitte en de lome dagen op van de oude katoenplantages.

De virtuoze arrangeur

Robert Rusell Bennett (1894-1981) arrangeerde de muziek van Porgy and Bess tot een orkestwerk met meerdere delen. Verder creëerde hij muziekarrangementen en instrumentale versies van een hele reeks Amerikaanse films en musicals, waaronder Show Boat, Oklahoma!, Carousel, Annie get your gun, South Pacific, Kiss me Kate, The King and I en The Sound of Music.

Successen in New York

Gerswins carrière is een typische Amerikaanse succes story. Geboren in Brooklyn als zoon van een arme Rusisch-Joodse immigrant (de familienaam was Gershowitz) begon hij op zijn 16de piano te spelen in de oude wijk van de muziekuitgevers Tin Pan Alley in New York. Met zijn oudere broer Ira, die de tekesten voor zijn talrijke liederen schreef, werd George al snel een van de meest succesvolle toneelcomponisten van Broadway en later Hollywood. Voor Gershwin waren de ragtime en de blues de volksmuziek van Amerika. Met Rhapsody in Blue was hij de eerste  die deze ritmes in de concertzalen bracht, en met Porgy and Bess kwamen deze klanken in de opera. Gershwin was nog maar net 39 jaar toen hij stierf aan hersentumor.

Een nieuwe uitdrukkingsvorm in de opera

Porgy and Bess was de eerste succesvolle Amerikaaanse opera en ook de eerste opera waarin alleen gekleurde mensen zongen. De belangrijkste inspiratiebron was dan ook de zwarte muziek: gospel, blues en jazz. De auteur van het toneelstuk dat aan de opera ten grondslag lag, Du Bose Heyward, woonde zelf in Charleston. Toen Gershwin de muziek aan het schrijven was, huurde hij in de buurt een strandhuis, bezocht plaatselijke gospelbijeenkomsten en zong en klapte enthousiast mee. In de jaren dertig was zijn inzet voor de cultuur van de zwarten een zeldzaamheid.

Voetnoot

“Summertime” is slechts een van de evergreens uit Porgy and Bess. “It Ain’t Necessarily So ” is minstens even beroemd.

Bron: Klein Muzikaal handboek Klassieke momenten – Muziek voor een zomeravond–

 

 

 

 

 

 

 

 

Ralph Vaughan Williams

Vaughan Williams    

<– Luister naar de London Symphony (Lento)

London Symphony – Tweede deel (Lento)

In het inleidende deel voor de strijkers roept Vaughan Williams een stemming van peinzend verlangen op. De akkoorden lijken op nevelslierten die op een kille novemberdag in de Londense straten hangen. Een dromerige Engelse hoorn doet denken aan Debussy’s “La Mer” (de zee). In het middendeel wordt een bekoorlijke melodie door de altviolen ingezet, die wordt onderbroken door het drukke ritme van de sledebellen, waarop steeds meer klanken en melodieën bij elkaar komen. Ieder instrument symboliseert een deel van het Londense leven, bijvoorbeeld de klarinet die het roepen van een lavendelverkoopster nabootst. Met de terugkeer naar de melancholieke stemming van het begin en het geluid van waldhoorns in de verte komt het deel geheimzinnig ten einde.

Een band met Bloomsbury Dit tweede deel wordt ook  wel “Bloomsbury Square op een novembermiddag” genoemd. Vaughan Williams verbleef vaak in Londen, en deze herfstige impressie van Bloomsbury toont zijn liefde voor deze stad.

Visionair en patriot  Vaughan Williams was in woord en daad een man van het volk, een man met visie en vaderlandsliefde en altijd bereid zich ergens voor in te zetten. Zijn sterk patriottische inslag komt vooral in twee van zijn essays naar voren: “Who needs the British composer? en Folk music. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog werd hij dirigent van het Engelse expeditiekorps. Vol enthousiasme spoorde hij de soldaten aan om ook te componeren. Zijn muziek weerspiegelde vaak de wensen van de doorsnee-bevolking. Vaughan Williams spuwde op het nazi-regime van Hitler, en zijn inzet voor Duitse vluchtelingen leidde tot een opvoeringsverbod van zijn muziek in Duitsland. In de Tweede Wereldoorlog zette hij zich in voor de vrijlating van geïnterneerde musici.

De componist geëerd  Omdat hij zich ten opzichte van niemand verplicht wilde voelen, bedankte Vaughan Williams uit principe voor de eer van prijzen waarbij het niet om zijn muzikale verdiensten ging. Veel onderscheidingen, waaronder de verheffing tot ridder, sloeg hij af. Een orde van verdienste (1935) nam hij echter aan, evenals een eredoctoraat in de muziek in Oxford, Yale en Cambridge, doctoraten van drie andere universiteiten en in 1955 de Albertmedaille vanwege zijn betekenis voor de kunsten  Voetnoot Vaughan Williams plande  A London Symphony aanvankelijk als symfonisch gedicht, totdat de componist George Butterworth hem aanraadde er een symfonie van te maken. Vaughan Williams beweerde dat het geen programmatisch werk was, maar als pure muziek moest “zegevieren” of  “ten onder gaan”. 

Bron: Klein Muzikaal handboek Klassieke momenten – Herfstkleuren –